Zwarte armada

Willem Messchaert, Kolhorn

Het gebeurde in die weken dat het aaneengesloten onstuimig weer was. Harde tot stormachtige wind, voornamelijk uit het westen, en af en toe een dikke, vette regenbui waartegen mijn regenjack niet steeds was opgewassen. Windstoten rukten je bijkans van de fiets en ik hield onder dergelijke omstandigheden slechts met grote moeite beide wielen in een recht spoor. Fietsen was onder dit alles overheersende weerregime een hachelijke onderneming geworden. Een wankel avontuur, waarbij ik zelf de trappers in de rondte diende te malen. Voorovergebogen over het stuur, waarin ik hard kneep, ploegde ik mezelf voorwaarts. Beurtelings gebruikte ik de volle kracht van mijn armen om de druk op de pedalen om en om via mijn benen kracht bij te zetten. Voorover, en dat is een. Weer voorover, en dat is twee, … en zo vervolgens. Als fietser voelde ik me een gladiator in een Romeinse arena. Eentje die ging overwinnen.

Kilometers verderop stapte ik af in de luwte van een leeg en verlaten sluiswachterhuisje. Pfjoe, eerst eventjes op adem komen. Wat een weer en wat een wind. Toen ik mijn fiets had neergezet en rechtop ging staan, zag ik ze. Tot mijn stomme verbazing was de met grijze wolken zwaar behangen lucht plotseling gevuld met zwarte vlekken. Honderden gitzwarte vlekken met even zwarte, wapperende vlerken bewogen zich met net zoveel moeite vliegend voort als ik kort hiervoor zelf fietste. Honderden aalscholvers waaiden als verbrande snippers papier voorbij, alsof een onzichtbare hand ze boven woest golvend water had uitgestrooid. De aalscholvers (Phalacrócorax càrbo sinensis) hingen als zwarte confetti boven het Kolhorner Diep. Archetypische watervogels zonder vetklier die daarom hun natte veren met gespreide vleugels wel moeten laten drogen, als ze niet willen verdrinken. Een zware windvlaag en de zwarte armada was van het stormtoneel verdwenen.