Lenteweelde

Willem Messchaert, Kolhorn

Hemeltje lief, wat een heerlijk weertje, toen ik op de fiets richting grootgrutter fietste voor de wekelijkse boodschappen. Gewoon in mijn flanellen overhemd met ruitpatroon en de boodschappentassen vanwege het evenwicht aan weerszijden van het stuur. Wind mee of tegen, het maakte niet uit, want de omstandigheden waren nu eens niet om over te klagen, maar juist om over naar huis te schrijven.

Op de heenweg had ik de bloeiende bermen al opgemerkt. Langs de hekken met ursusgaas, waarachter lome, zwart gewolde schapen met gevlekte lammeren, stonden kussens vol bloeiende vogelmuur. De witte bloempjes schitterden als sterretjes in het volle groen van het bermgras. Links en rechts geflankeerd door de helderwitte stippen van madeliefjes en het knalgeel van paardebloemen. In al dat groen flakkerde, spaarzaam nog, het heldere blauw van vergeet-me-niet, gewone ereprijs en hier en daar dat van hondsdraf.

Dat was duidelijk het tegenovergestelde van het speenkruid dat overvloedig in de bermen van weg, sloot en dijktalud knalgeel in bloei stond. En hoe. In de eerste plaats massaal en vervolgens glinsterend geel als gevolg van het zonnetje dat de smalle kroonblaadjes stuk voor stuk deed glimmen als waren ze ingesmeerd met roomboter. Dat kan vanzelfsprekend niet, maar het is een typische eigenschap van dit lid van de ranonkelfamilie, het speenkruid (Ranunculus ficaria). Neefje boterbloem dankt aan dit fenomeen bijvoorbeeld z'n naam. Speenkruid dankt zijn naam echter aan de speenvormige wortelknolletjes, die ook in de bladoksels voorkomen. Ongeslachtelijke voortplanting is bij speenkruid eerder regel dan uitzondering. Voor speenkruid stap ik graag even af als eerbetoon aan zoveel uitbundige lenteweelde.