• Eigen foto

Es

Jan Anne Schoonhoven, dierenarts

Op de Drentse heide zien we de schaapjes lopen die ervoor moeten zorgen dat de heide heide blijft en niet in korte tijd in een bos of zandverstuiving verandert. Het jonge loof van steeds weer in groten getale opschietende boompjes wordt zorgvuldig weg gegraasd. En de toppen van de heidestruiken worden eveneens opgegeten, waardoor de struikvorm wordt behouden en daarmee de heide in leven blijft.

Al eeuwen lang vindt dit plaats. Ofschoon het vroeger om de schapen ging, want veel anders was er met de arme zanderige grond niet aan te vangen. Zand? In de periode van de ijstijden die over noordelijk Nederland trokken, stuwden enorme gletsjers keileem over de noordelijke provincies voor zich uit. En daarmee veel kleine maar ook de enorme keien uit Zweden en Finland, waar later het Trechterbekervolk de beroemde hunebedden bouwden als monumenten op hun graven. In die tijd vroor de Noordzee droog en waaide het zand daarvandaan in grote hoeveelheden over het landijs en bleef daar op de ondoordringbare keileem achter toen het ijs smolt.

Men leefde van het land. Om de zandgronden te voorzien van enige voeding, plagde men tegen de winter een stuk heide af en plaatste dat als bodembedekking in de schuren waar de schapen overwinterden. De met mest en urine doordrenkte laag werd in het voorjaar op het land achter de boerderijen gebracht en zo werd de zandgrond nog enigszins vruchtbaar gemaakt. Aangezien die boerderijtjes in een cirkel om de voor akkerbouw geschikte percelen lagen, steeg het grondniveau door deze jaarlijkse actie in de loop van eeuwen zichtbaar omdat na het verteren van het organische gedeelte de mineralen uit de mest achterbleven. Zo kwam het dat de boerderijen rond een vlakke heuvel kwamen te liggen, de zogenoemde es. Bijgevolg heten de cirkelvormige dorpjes esdorpen. Kunstmest maakte in de zestiger jaren een einde aan de arbeidsintensieve manier van bemesten en de latere ruilverkaveling maakte een einde aan de in vele kleine stukjes land verdeelde es die door bomensingels en houtwallen van elkaar werden gescheiden. De begroeide houtwallen hielden grazend vee binnen en wild buiten.

Veel van de essen werden ontdaan van de karakteristieke begroeiing en vervolgens geëgaliseerd om mechanische bewerking te vergemakkelijken en de landopbrengsten te optimaliseren. Enkelen zijn vanuit overheidswege beschermd geraakt en behouden. Het woord 'es' zou een verbastering kunnen zijn van het Gotische woord 'atisk' dat zaailand betekende. In de noordelijke provincies werd ook het Oudfriese woord 'esk' gebruikt.