De ene sloot is de andere niet

Willem Messchaert, Kolhorn

In de ons omringende polders liggen ze bij de vleet. Sloten. Nodig om de weilanden, de akkers en de woonkernen van overtollig regenwater te verlossen. Waterschappen spreken liever van watergangen of waterlopen. Al heb ik zelf sloten nog nimmer zelfstandig zien lopen met welke gang dan ook. Galop? Tien kilometer per uur? Okay, zulke instanties zullen er verstand van hebben en zich in een dergelijk quasi deftig jargon willen uiten. Waarschijnlijk meer intern dan in het algemeen gericht of mogelijk toegepast als begrijpelijke begrippen in communicatie met andere waterpartners. Ik hou het op sloten, sleuven in het landschap, meestal vol water. Sloten in verschillende dimensies (lengte, breedte en diepte) om oppervlaktewater van a naar b te transporteren. A is dan de polder en b het gemaal, dat zacht zoemend zorgt dat het water naar een hoger niveau wordt afgevoerd.

Aan dit soort sloten dacht ik, toen ik eens door Slootdorp fietste en vandaar de Slootweg in noordelijke richting koos. Slootdorp en Slootweg, de namen bleven zich in m'n hoofd herhalen. Slootdorp, Slootweg. Sloot-dorp, sloot-weg. Enzovoort. Na een lange fietstocht weer thuis, was ik daarmee niet veel verder gekomen dan het flauwe grapje dat de naam Slootweg inderdaad heel toepasselijk was, want de sloot was immers verdwenen, weg. Eenmaal doorgewarmd, sloeg ik er de oude kaart (1683) van Haringhuijsen, Van t Wuijver en Bluzé op na en daarop stond 'De Sloot' als een diepe stroomgeul ten zuidwesten van het eiland Wieringen bij Westerland genoteerd. Net zoals het vroegere Ulkediep zijn naam aan de Ulkeweg gaf, zijn Slootdorp en Slootweg afgeleid van deze oude wadgeul 'De Sloot'.